Verslag evenement “Bemiddeling: alleen voor happy few?” (Gent 16 oktober 2017)

0

Verslag evenement “BEMIDDELING : ALLEEN VOOR HAPPY FEW ?”

Gent 16 oktober 2017

In het kader van de Belgische mediationweek (16- 21 oktober 2017) vonden in heel België tal van activiteiten plaats rond het thema bemiddeling. In het gerechtsgebouw in Gent werd een panelgesprek georganiseerd over de barrières en succesvoorwaarden voor een doorstart van de bemiddelingspraktijk. Titel van het evenement: “Bemiddeling: alleen voor de happy few?”.

Organisatoren waren Hof van beroep Gent, rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen (afdeling Gent), Justitiehuis Gent, CAW Oost-Vlaanderen, Het Bemiddelingshuis, Mediationlink, Mediation-at-work.be.

De praktische organisatie was in handen van Lieve Lagae en Christine Vancouillie, beiden erkende bemiddelaars.

De avond begon met een inleiding door gastheer Daniël Van den Bossche, voorzitter afdeling Gent van de rechtbank van eerste aanleg provincie Oost-Vlaanderen. Kamervoorzitter in het hof van beroep van Gent, Sabine De Bauw diende zich te laten verontschuldigen. Van den Bossche bracht haar tekst naar voor met belangrijke boodschappen, waaronder vooreerst de vaststelling dat ingevolge de bestaande Belgische wetgeving en ook als gevolg van de Mediationrichtlijn 2008[1] de meeste familierechters de ADR-mogelijkheden nu al in ruime mate onder de aandacht brengen en waar mogelijk ernaar verwijzen, en dat het nu aan andere rechtscolleges is om te volgen. De wetgever zou dit moeten ondersteunen. Om ADR te doen doorbreken is een globaal plan van aanpak nodig omtrent de verhouding tussen ADR (waaronder mediation) en justitie, en de integratie ervan over de grenzen van de specialisaties heen. Er is vooral een mentaliteitswijziging nodig bij de actoren van justitie. Concreet zou de mediationpraktijk wetenschappelijk moeten opgevolgd worden, zodat het beleid kan aansturen op basis van feiten/cijfers. Statistieken binnen de rechtscolleges volgens éénduidige criteria zijn daarbij eveneens wenselijk. De informatieverstrekking door rechters, CAW’s, in het rechtsonderwijs, vanuit de balie en het notariaat, de opleidingen van het Instituut voor Gerechtelijke opleiding enz. begint zijn vruchten af te werpen. Het is noodzakelijk om in een vroeg stadium van een belangentegenstelling bij de burgers de automatische procedurereflex uit te bannen. Justitie kan financiële incentives geven, zoals ze doet sedert 1/09/2016 in het kader van de tweedelijnsbijstand[2] of door de bestaande rechtsbijstand voor minvermogenden bij bemiddeling te vereenvoudigen en kenbaar te maken, zodat ze toegepast wordt. De Bauw stelt voor de bevoegdheid van de Federale bemiddelingscommissie uit te breiden om de integratie van bemiddeling in de onderscheiden jurisdicties te ondersteunen. De aanwijzing van een referentiemagistraat of -eenheid ADR/ bemiddeling, met de Federale Bemiddelingscommissie als liaisoninstantie, is daarbij een denkpiste. De conclusie luidt dat alle actoren die betrokken zijn bij conflictoplossing, partners zijn die samenwerken opdat elke zaak het beslag krijgt dat best past bij de partijen en hun geschil.

Hierop volgde de keynote speaker van de avond: Wendy Hensen, doctor in de rechten en juriste/stafmedewerker bij het OCMW van Hasselt. Zij promoveerde onlangs met een proefschrift over gerechtelijke bemiddeling. Tijdens haar lezing werden de belangrijkste bevindingen van het proefschrift toegelicht.

Het onderzoek beoogde om een beter zicht te krijgen op de Belgische bemiddelingspraktijk én op de noden en wensen in het veld. Mevr. Hensen zette interviews, focusgroepen en een grootschalige enquête op, waaraan in totaal 1.600 advocaten, magistraten, notarissen en erkende bemiddelaars deelnamen. Hieruit bleek dat de helft van de bevraagde juridische actoren zelden of nooit doorverwijzen naar een bemiddelaar. Nochtans werd vastgesteld dat er bij de respondenten een algemeen positief beeld te bemerken was over de mogelijkheden en het nut van de inzet van bemiddeling als oplossingsmethode. Zelfs nog in de gerechtelijke fase. Specifiek met betrekking tot de gerechtelijke bemiddeling werden wel enkele praktische en juridische knelpunten op het spoor gekomen. Zo bleek bv. dat de kosten van een gerechtelijke procedure in combinatie met de extra kosten van een bemiddeling soms als ‘ te duur’ worden beschouwd.  Een bemiddelingsvoorstel vanwege de rechter zou, vooral door advocaten, ervaren kunnen worden als ‘dwang’ om de bemiddeling aan te vatten. Bij een kwart van de respondenten speelde een bezorgdheid omtrent het recht op toegang tot de rechter in dit scenario. Het bleek ook moeilijker te zijn om bij een gerechtelijke bemiddeling tot een (goed) resultaat te komen. Tevens onthulde het onderzoek dat magistraten zelf meer ondersteuning willen bij het organiseren van de gerechtelijke bemiddeling o.m. omdat zij botsen op een gebrek aan tijd, afwezigheid van de partijen ter zitting en moeilijkheden bij het selecteren van de zaken die voor bemiddeling in aanmerking komen.

In het licht van deze bevindingen formuleert mevr. Hensen enkele voorstellen om het huidig wettelijk kader te optimaliseren. Zij schuift onder meer een systeem naar voren waarin éérst met partijen gekeken wordt naar het meest geschikte traject om een conflict op te lossen. Er moet volgens haar meer ingezet worden op casemanagement, met behulp van een trajectbegeleidingsdienst binnen de rechtbank. Dat veronderstelt dat élk conflict in al haar facetten wordt benaderd en de partijen hierbij intensief worden betrokken. Het objectief is om tot een humanere justitie te komen,  waarbij het verhaal van de partijen en hun beleving van het conflict een plek krijgen én de dienstverlening efficiënter wordt. Het voorstel houdt in dat professionele doorverwijzing – niet alleen naar bemiddeling, maar ook naar andere ADR en hulpverlening – wordt uitbesteed aan daarvoor specifiek opgeleide rechtbankmedewerkers. Het dwangelement wordt hierdoor weggenomen en er kan ook bijstand worden geboden bij het verder praktisch begeleiden van het gekozen traject. Eerder dan te opteren voor verplichte deelname aan bemiddeling, wordt voorgesteld om zoveel mogelijk beslissingsrecht en verantwoordelijkheid toe te kennen aan de partijen zelf. Conflictpartijen moeten in principe zélf kunnen beslissen of er gezocht wordt naar een oplossing en, zo ja, hoe  – in de hoop dat dit uiteindelijk ook zal leiden tot duurzame en houdbare oplossingen. De conclusie is dan ook dat de overheid op de eerste plaats voldoende moet inzetten op informatie en sensibilisering.  Tot slot vraagt mevr. Hensen ook aandacht voor het bieden van voldoende (juridische) waarborgen voor het eerlijke verloop van zo’n bemiddeling die vanuit justitie aangevat wordt. Het onderzoek wees o.m. uit dat de mate van juridische bijstand tijdens het traject belangrijk is voor het vertrouwen van juridische actoren in de bemiddeling. Ook op dit vlak formuleert zij in het proefschrift concrete aanbevelingen.

Na de keynote speech van Wendy Hensen volgde een panelgesprek dat werd gemodereerd door Eric Lancksweerdt, Hoofddocent UHasselt en praktijkassistent UAntwerpen.

De heer Daniël Van den Bossche beet de spits af door de volgende stelling toe te lichten: “Bemiddeling moet via andere kanalen en andere actoren in een veel vroeger stadium dan de gerechtelijke fase worden aangemoedigd. In de familierechtbank moet vooral gefocust worden op een doorverwijzing naar de schikkingsrechter.” De heer Van den Bossche betoogde dat de wet van 2014 waarmee de familierechtbank werd ingevoerd niet gepaard ging met een effectenmeting die o.m. betrekking heeft op de werklast. Van familierechters werd verwacht dat zij plots veel meer werk gingen maken van ADR, doch dit kan moeilijk zonder bijkomende magistraten. Die kwamen er evenwel niet. De wet van 2014 heeft zijn doel op het vlak van ADR slechts zeer gedeeltelijk bereikt. Het aanbod tot ADR komt te laat, doordat de betrokkenen al in een strijdmodus zitten en op dat moment niet erg gevoelig meer zijn voor de andere dynamiek die de inzet van ADR vereist. ADR dient in een veel vroeger stadium van het geschil een plaats te krijgen. Hier dient de advocatuur verantwoordelijkheid op te nemen. Nu ligt de focus bij de meeste familierechtbanken op de schikkingsrechter. Hierin kan men nog verder gaan. Er worden vrij veel pogingen tot schikking ondernomen, met een zeer bevredigende succesratio.

Sara Goossens (directeur justitiehuis Gent) verdedigde de volgende stelling: “Vermaatschappelijking van de zorg… Vanaf nu ook vermaatschappelijking van het geschil? Bemiddeling is een toepassing van het subsidiariteitsbeginsel: een norm om de ‘ultimum remedium gedachte’ van het recht effectief waar te maken.” Het is volgens haar niet voldoende mensen gewoon informatie te verstrekken over bemiddeling, men moet echt aan de slag gaan met hen. Zij dienen al doende te leren, te ervaren dat anders kan worden omgegaan met conflicten. In de uitvoering van de maatschappelijke onderzoeken bevolen door de familierechters, stellen de justitieassistenten vast dat zij uit mogen gaan van de kracht van de partijen na echtscheiding. Bij de meeste partijen leeft ook de bereidheid om op een constructieve manier geschillen op te lossen. Zij vroeg zich af of professionals steeds bereid zijn om de positieve energie van mensen aan te wenden. De drempel naar de rechtbank dient zonder meer verhoogd. Het conflict dient terug “vermaatschappelijkt”, wat betekent dat het terug wordt gegeven aan diegenen die erin verwikkeld zijn, al of niet met hulp van facilitators van alternatieve geschiloplossing.

Kathy Blondeel, advocate en erkend bemiddelaar (Het Bemiddelingshuis) verdedigde volgende stelling: “Bemiddeling is geen bedreiging maar een kans voor de advocatuur”. De advocatuur zit in volle transitie. De invoering van hoge BTW-tarieven op de dienstverlening van de advocaat is slechts één van de vele illustraties daarvan. Veel advocaten zien in bemiddeling een bedreiging, maar zij biedt even goed kansen voor een andere jobinhoud. De advocaat kan resoluter de kaart van bemiddeling trekken. Hij dient ook het traject dat de cliënt in eerste instantie voorstelt grondig te bevragen: wat wil de cliënt werkelijk? De advocaat heeft een bijzondere taak, en hij kan deze zowel conflictversterkend als conflictbeperkend opvatten. Om in gesprek te gaan met mensen zijn menselijkheid en vriendelijkheid onontbeerlijke eigenschappen. Buiten het juridisch werk kan de advocaat nog een heel veld exploreren, op menselijk vlak. De advocaat is bijzonder geschikt als bemiddelaar, omwille van zijn juridische kennis. Blondeel stelt vast dat haar bemiddelingen vaak het karakter van een onderhandeling hebben.

Kris Wellekens, advocaat en erkend bemiddelaar, brak een lans voor de volgende stelling: “We moeten trachten een cultuuromslag te bewerkstelligen over de wijze waarop we omgaan met conflicten. Dit begint reeds bij onze kinderen. (Anders) leren omgaan met conflicten dient in het (basis)onderwijs meer aandacht te krijgen”. Hij betoogde dat onze basishouding er dikwijls een van “vechten” is, ik tegen de ander. Bovendien zorgen hevige emoties en het innemen van scherpe standpunten nog voor een bijkomende polarisatie. Er wordt geen ruimte meer gelaten voor andere zienswijzen. Een van de logische gevolgen is dat men zijn gelijk probeert te halen bij de rechter. De uitdaging ligt erin mensen te masseren in de richting van belangengericht denken zodat zij kunnen afstappen van hun intuïtief ingenomen standpunten. De nood om gelijk te halen is cultureel bepaald. Vandaar dat een cultuuromslag zich opdringt, via de media maar vooral via het onderwijs. Door van in het basisonderwijs anders te leren omgaan met conflicten kunnen kinderen en jongeren een andere reflex ontwikkelen.

Christine Vancouillie, sociaal bemiddelaar en preventieadviseur bij Mediationlink, stond stil bij de volgende stelling: “In de rechtbank is conflictoplossing sterk geformaliseerd in tijdrovende procedures. Om conflictsituaties snel en efficiënt te ontmijnen dient bemiddeling rechtstreeks toegankelijk te zijn, zonder al te veel formaliteiten.” Volgens haar wijst de wetgeving inzake het welzijn op het werk veel te weinig de weg naar de bemiddelaar. In het kader van die wetgeving is een cultuur ontwikkeld van het indienen van klachten, doch dit dient te worden omgedraaid. Mensen zouden bij een arbeidsconflict meer naar een informele procedure moeten worden geloodst. Die biedt een grote kans op succes. De wetgeving zou moeten worden aangepast, opdat mensen niet te snel binnen een formele procedure –met meer kans op escalatie- zouden terecht komen. Als men de mens achter het conflictverhaal kan gaan zien is er veel mogelijk. Christine Vancouillie stelt dat wij thans een gebrek aan inspirerende voorbeelden hebben, mensen die ons tonen hoe men goed kan samenleven. We dienen ons af te vragen wat we met onze wijze van conflictoplossing willen stimuleren in de mens: het goede of het kwade.

Jody Kluge, erkend bemiddelaar bij het Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) Oost-Vlaanderen nam de laatste stelling voor haar rekening: “Ouderschapsbegeleiding na partnerbreuk vraagt, in het bijzonder voor de meest kwetsbare doelgroep, een integrale aanpak en ondersteuning op maat.” Voor haar is het essentieel om met ouders in een scheidingssituatie op zoek te gaan naar wat zij willen, bij hen aan te sluiten, te toetsen wat voor hen (de weg naar) de oplossing zou kunnen zijn. Vaak hebben de bemiddelaars van het CAW te maken met wat Diana Evers het “groot bemiddelingsverhaal” noemt, waar mensen worden geconfronteerd met existentiële vragen. Heel dikwijls komt het er op aan om kwetsbare mensen eerst een zuurstofmasker aan te reiken vooraleer men van hen allerlei engagementen kan vragen t.o.v. de kinderen. Men dien mensen eerst te laten zijn wie zij zijn, bij hen aanwezig zijn. Dit vraag veel van de bemiddelaars, niet in het minst een voortdurend persoonlijk ontwikkelingswerk. Het komt er op aan mensen bewuster te maken, dichter bij zichzelf te brengen. Een integrale aanpak vanuit verschillende diensten is vaak wenselijk.

Het publiek kon na elke tussenkomst van een panellid te kennen geven of het al of niet akkoord ging met de ingenomen stelling. In alle gevallen ging het publiek akkoord, meestal met een zeer uitgesproken meerderheid.

Het publiek bleek achteraf bijzonder tevreden over de avond.

Kathy Blondeel – Sabine De Bauw – Sara Goossens – Wendy Henssen – Jody Kluge – Lieve Lagae – Eric Lancksweerdt – Christine Vancouillie – Daniël Van den Bossche – Kris Wellekens

[1] Richtlijn 2008/52/EG van het Europees parlement en de raad van de Europese unie van 21 mei 2008, betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken.

[2] In de nomenclatuur van de punten voor welbepaalde prestaties verricht in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand voor bemiddeling, waarbij de advocaat aanwezig is en zijn cliënt begeleidt, worden per sessie 2 punten toegekend ingeval de bemiddeling gevolgd wordt door een procedure en 4 punten ingeval ze niet gevolgd wordt door een procedure.